‘We hebben met elkaar iets toe te voegen’ - over de start van Vaktherapie Nederland

16 juni 2026

In het vorige artikel las je hoe de term vaktherapie ontstond binnen het politieke en bestuurlijke landschap. Nu lees je hoe we van een gedeelde term naar een gedeelde verantwoordelijkheid gingen: naar de Federatie Vaktherapeutisch Beroepen (FVB, nu Vaktherapie Nederland). 

Op 14 maart 2006 wordt de FVB opgericht: Federatie voor Vaktherapeutische Beroepen. De NVCT (Nederlandse Vereniging van Creatief Therapeuten) splitste zich op in vier beroepsverenigingen, namelijk voor beeldende therapeuten, dans-, drama, en muziektherapeuten. Ze gingen met de NVPMT (Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie) samenwerken binnen de federatie. Hiermee werd een proces bekrachtigd dat al jaren daarvoor in beweging was gezet: het versterken van samenwerking en de gezamenlijke zoektocht naar de betekenisgeving aan vaktherapie.


 

Foto 1: Albert Berman, vicevoorzitter van de NVCT in 2006 tekent (o.a.) de statuten waarmee de NVCT officieel opsplitst in de NVBT, NVDAT (nu NVDBT), NVDT en NVvMT en waarmee zij samen met de NVPMT de FVB – Federatie Vaktherapeutische Beroepen oprichtte. (2006, foto van Albert Berman)

Foto 2:  Jubileumjaar van de NVCT in combinatie met de opsplitsen in vier beroepsverenigingen tegelijk met de oprichting van de FVB. (rond begin 2006, foto van Albert Berman)

 

De term ‘vaktherapie’ werd na de introductie beginjaren 2000 al gebruikt door externe partijen, zoals in de CONO-kamer, de zetel waarbinnen organisaties gesprekspartner waren voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Voor velen voelde vaktherapie niet als een vanzelfsprekende term. Irene Rentenaar, achttien jaar werkzaam geweest bij Vaktherapie Nederland waarvan twaalf jaar als directeur, vertelt: “De term vaktherapie is iets wat de beroepsgroepen is opgelegd, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is die term gaan gebruiken in wetgeving.”

Dat riep weerstand en vragen op. Wie zijn we samen? En willen we dit wel? Er werd gezocht naar een alternatieve term.

Gorry Cleven was voorzitter van de NVCT tot aan de oprichting van de federatie in 2006. Zij herinnert zich die periode goed: “We zijn meerdere jaren met de NVPMT in gesprek geweest. Om de gezamenlijke belangen goed op tafel te krijgen. Om de term vaktherapie ook gezamenlijk te hanteren. Het was als een dans. Een stap achteruit, twee stappen vooruit. Ik ben trots dat het gelukt is.”

Hans Delhaas, voorzitter van de NVPMT tot aan de oprichting van de federatie in 2006, herinnert zich ook dat ze spraken over die terminologie en zochten naar een alternatief. “Heten we dan non-verbale therapeuten?”

Een alternatieve term kwam er uiteindelijk niet. De verenigingen zetten in op een andere insteek.  Irene Rentenaar: “Je kunt hier mee bezig blijven, maar over enkele jaren is de term vaktherapie in alle wet- en regelgeving ingebouwd. Kom gezamenlijk met waar vaktherapie voor staat. Ga de term inhoud geven.’”

Die keuze bleek bepalend. Er werd gezamenlijk gewerkt aan een gedeelde inhoudelijke basis. “Dat is gedaan. Daar herken je nu nog ‘Doen – ervaren – effect’ van. Je kunt dit op alle niveaus invullen. Je kunt er een verhaal van maken.”

Samen aan tafel

De van  buitenaf geïntroduceerde term bracht de NVCT en de NVPMT samen aan de gesprekstafel. Want, hoe is het om als beroepsverenigingen nauw samen te gaan werken? “Ik herinner me vooral dat het ontzettend veel gesprekken opleverde”, aldus Hans Delhaas. “De verenigingen leken qua structuur niet op elkaar. En het moest natuurlijk gaan over geld, lidmaatschap, het register”, enzovoorts. “Bij ons liepen de mannen echt nog wel in kostuum en stropdas. En ’s middags stonden ze in hun trainingspak PMT’er te zijn. Bij de NVCT was een wat andere entourage gebruikelijk. We hebben dus ook veel gepraat over cultuur.”

Inge van Driel, voorzitter van de NVPMT na de oprichting van de federatie in 2006 vertelt: “Ondanks alle verschillen realiseerden we ons dat we met elkaar iets toe te voegen hadden. We hebben ook veel overeenkomsten. Bovendien zijn het vaak ook hele leuke mensen om mee samen te werken.”

De NVPMT en NVCT zaten dus met elkaar aan tafel. Er waren ook andere plekken waar men wilde – en moest – aanschuiven. 

Inge van Driel: “Psychomotorische therapie en creatieve therapie waren te klein om aan tafel te zitten bij organisaties als Zorginstituut Nederland of de Nederlandse Zorgautoriteit. Ze hadden niet zoveel boodschap aan ons.” Het werd steeds duidelijker dat bundeling van krachten nodig was om wél gehoord te worden.

Eerste stappen richting een federatie

De gedachte aan een federatie ontstond niet van de ene op de andere dag. Toen het zover was, werden er ook pragmatische beslissingen genomen. Inge van Driel blikt terug:

“De gedachte speelde: kun je niet ook een aantal praktische zaken beter bij elkaar brengen. Er is besloten om een gezamenlijk secretariaat te doen. Het was ook kostenbesparend. Verder huurden we niemand in, we deden het allemaal zelf op vrijwillige basis.” Vrijwilligers hebben veel energie en tijd gestoken in de oprichting en het runnen van de federatie. “Ik vond dat je dat soort dingen moest doen, om je vak op de kaart te houden. Het is behoud van je beroep.”

Het is prachtig dat vrijwilligers zich zo hebben ingezet. Het is echter ook een risico.

“Je bent heel afhankelijk van de mensen. Doordat Vaktherapie Nederland er is, is er een continuïteit in ontstaan.” Continuïteit en ook overzicht. “We kregen nu in één keer informatie over wetgevingen. De zorgstandaarden kwamen meer in beeld, doordat je met elkaar samen was en doordat iemand van Vaktherapie Nederland een overview had.”

Dit vormde het vertrekpunt voor meer zichtbaarheid en erkenning van vaktherapie.

“Wat de federatie heel goed doet is het positioneren van het vak. Het heeft ondertussen gezorgd voor een redelijk stabiele positie qua bekendheid in het zorglandschap in Nederland.” 

‘We dronken weleens een biertje’

De balans vinden tussen het bewaren van de eigen identiteit en het opgaan in een overkoepelende term als vaktherapie was koordlopen. Het schuurt wanneer vertrouwde grenzen vervagen en wanneer een naam die van buitenaf is ingevoerd, ineens richtinggevend wordt. Die spanning was voelbaar. Zoals Albert Bermen  het zei, bij onenigheid ‘dronken we weleens een biertje’.

Tegelijkertijd groeide het besef dat juist in die veroordeling tot ‘samen’ ook kracht schuilde. Wat door afzonderlijke beroepsgroepen lastig te bereiken was, kwam door samenwerking binnen handbereik. Er ontstonden onder de federatie meer mogelijkheden voor zichtbaarheid en de invloedssfeer groeide, waardoor de beroepsgroepen onder de noemer vaktherapie sterker gepositioneerd konden worden.

De samenwerking was soms zoeken, aftasten en worstelen — maar het leidde tot een federatie waarin overeenkomsten de basis vormen. Samen boeken we mooie resultaten. Ook vandaag de dag is het soms zoeken naar afstemming, maar we blijven samen staan want ‘we hebben met elkaar iets toe te voegen’! 

**
Volgende keer lees je over ontwikkelingen tijdens 20 jaar Vaktherapie Nederland.